Visuele ondersteuning bij Wanneer de zelfredzaamheid-matrix dakloosheid creëert

Waarom de Zelfredzaamheid-Matrix niet past bij Wonen Eerst en ETHOS-light

In veel Nederlandse gemeenten wordt de Zelfredzaamheid-Matrix (ZRM) gebruikt om te bepalen welke ondersteuning iemand nodig heeft. Het instrument brengt op verschillende leefgebieden in beeld hoe iemand functioneert, zoals inkomen, gezondheid, dagbesteding, sociaal netwerk, verslaving en huisvesting. Oorspronkelijk is de ZRM bedoeld als hulpmiddel voor professionals om samen met inwoners een integraal beeld te vormen van hun situatie en ontwikkelmogelijkheden.

Daar is op zichzelf niets mis mee.

Het probleem ontstaat wanneer de ZRM niet langer wordt gebruikt als gespreksinstrument, maar als toegangspoort tot ondersteuning, maatschappelijke opvang of zelf huisvesting. Dan verschuift de aandacht van de vraag of iemand dakloos is naar de vraag of iemand kwetsbaar genoeg is.

En daar wringt het.

Want de afgelopen jaren hebben we in Nederland juist een fundamenteel andere koers ingezet. Met het Nationnaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een Thuis (2023–2030) kiest het kabinet nadrukkelijk voor een omslag: van het beheersen van dakloosheid naar het voorkomen, verkorten en beëindigen ervan. De invoering van ETHOS-light als landelijke definitie van dakloosheid sluit daar naadloos op aan. Niet de mate van persoonlijke problematiek staat centraal, maar de feitelijke woonsituatie.

Dat lijkt een subtiel verschil, maar in werkelijkheid verandert het vrijwel alles.

Dakloosheid is geen zorgprofiel

ETHOS-light kijkt niet in de eerste plaats naar kwetsbaarheid. De centrale vraag is eenvoudig: heeft iemand toegang tot veilige, stabiele en duurzame huisvesting?

Iemand die noodgedwongen op de bank van vrienden slaapt, voortdurend van logeeradres wisselt, een instelling moet verlaten zonder woonruimte of in een auto overnacht, bevindt zich volgens ETHOS-light in een dakloze situatie.

Dat betekent dat het wonen het uitgangspunt is.

Niet de persoon.

het is duidelijk dat ETHOS-light hier botst met de manier waarop de ZRM in de praktijk regelmatig wordt toegepast.

Twee realiteiten

De ZRM beoordeelt vooral hoe iemand functioneert. ETHOS-light beoordeelt de woonsituatie.

Iemand kan werken, afspraken nakomen, geen verslaving hebben, zijn administratie op orde houden en tegelijkertijd geen eigen woning hebben. Volgens ETHOS-light is deze persoon dakloos. Binnen de logica van de ZRM kan dezelfde persoon echter als relatief zelfredzaam worden beoordeeld.

Daar ontstaat de paradox.

Wie ondanks zijn dakloze situatie nog redelijk functioneert, loopt het risico buiten de benodigde ondersteuning te vallen.

Niet omdat er geen huisvestingsprobleem is.

Maar omdat de persoonlijke problematiek nog onvoldoende ernstig wordt gevonden.

De aandacht verschuift daarmee van het oplossen van dakloosheid naar het beoordelen van kwetsbaarheid.

Dakloos én zelfredzaam

De combinatie "dakloos en zelfredzaam" klinkt bijna geruststellend. Alsof iemand het nog wel redt.

Maar niets is minder waar!

Dakloosheid is op zichzelf al een ontwrichtende situatie. Zonder stabiele woonplek worden vrijwel alle andere leefgebieden kwetsbaar. Werken, herstellen, kinderen opvoeden, een behandeling volgen, schulden oplossen of simpelweg voldoende rust vinden wordt aanzienlijk moeilijker wanneer een thuis ontbreekt.

Juist mensen die zich ondanks alles nog staande weten te houden, verdienen snelle ondersteuning. Niet omdat zij al volledig zijn vastgelopen, maar omdat er nog iets te behouden valt.

Toch gebeurt in de praktijk vaak het tegenovergestelde.

Wie nog redelijk functioneert, krijgt soms geen toegang tot opvang, begeleiding of een versnelde route naar huisvesting. Niet omdat de woning ontbreekt, maar omdat de problemen daaromheen nog niet ernstig genoeg worden gevonden.

Het systeem wacht totdat de schade groter wordt.

De verkeerde vragen

Het probleem zit niet bij individuele professionals. Zij werken met de instrumenten die hun ter beschikking staan en proberen zorgvuldig afwegingen te maken.

Het probleem zit in de logica van het systeem.

Wanneer de ZRM de toegang bepaalt, worden de verkeerde vragen gesteld.

Niet: is iemand kwetsbaar genoeg voor ondersteuning?

Maar: in welke woonsituatie bevindt iemand zich, en wat is nodig om dakloosheid te voorkomen, te verkorten of te beëindigen?

Niet: kan iemand zelfstandig genoeg functioneren zonder woning?

Maar: welke ondersteuning is nodig om zelfstandig wonen mogelijk en duurzaam te maken?

Niet: voldoet iemand aan een zorgprofiel?

Maar: hoe voorkomen we dat iemand verder afglijdt doordat passende huisvesting ontbreekt?

Deze omslag lijkt klein, maar verandert de hele manier waarop professionals naar dakloosheid kijken.

Niet de mate waarin iemand al beschadigd is geraakt, maar het ontbreken van een thuis wordt het vertrekpunt voor handelen om de echte beschadiging te voorkomen.

De illusie van objectiviteit

Daar komt nog een belangrijk punt bij.

De uitkomst van een ZRM lijkt objectief omdat er met scores wordt gewerkt. In werkelijkheid blijft iedere score afhankelijk van de professionele interpretatie van de individuele medewerker die de matrix invult. Het is dus subjectief.

Wat de ene professional beoordeelt als voldoende zelfredzaamheid, ziet een ander juist als een kwetsbare poging om ondanks een onhoudbare woonsituatie overeind te blijven.

Daardoor ontstaat onvermijdelijk verschil in beoordeling. Niet alleen de feitelijke dakloze situatie bepaalt of iemand toegang krijgt tot ondersteuning, maar ook de interpretatie van degene die de ZRM toepast.

Juist bij dakloosheid is dat problematisch. Het ontbreken van een woning is immers geen professionele inschatting, maar een objectief vast te stellen feit.

En wanneer een objectief huisvestingsprobleem afhankelijk wordt van een subjectieve beoordeling van zelfredzaamheid, ontstaat het risico dat niet de woonsituatie, maar de interpretatie van de professional bepaalt of iemand hulp krijgt.

Dat is precies de spanning die zichtbaar wordt tussen de ZRM en de uitgangspunten van ETHOS-light en Wonen Eerst.

De perverse prikkel van de ZRM

Zelfredzaamheid wordt vaak beoordeeld alsof wonen slechts één van de vele leefgebieden is waarop iemand kan functioneren. Maar wonen is geen gewoon leefgebied. Een woning is de basis waarop vrijwel alle andere leefgebieden kunnen functioneren.

Zonder een stabiele woonplek wordt het moeilijker om werk te behouden, een behandeling te volgen, kinderen stabiliteit te bieden, schulden op te lossen of een sociaal netwerk in stand te houden. De gevolgen van dakloosheid worden vervolgens zichtbaar op de leefgebieden die de ZRM juist beoordeelt.

Daarmee ontstaat de perverse prikkel van de ZRM.

Wie zich ondanks zijn dakloze situatie nog enigszins weet te redden, loopt het risico buiten de ondersteuning te vallen. Wie nog werkt, afspraken nakomt, geen overlast veroorzaakt of geen zware zorgvraag heeft, wordt eerder als voldoende zelfredzaam beoordeeld. Pas wanneer iemand zijn netwerk verliest, schulden opbouwt, psychisch ontregelt raakt of uiteindelijk in de maatschappelijke opvang belandt, wordt de situatie ernstig genoeg geacht om in te grijpen.

Het systeem beloont daarmee niet het voorkomen van dakloosheid, maar het aantoonbaar vastlopen daarin.

Dat staat haaks op het uitgangspunt van preventie.

Wachten tot de schade zichtbaar is

Wanneer iemand zonder woning wordt afgewezen omdat hij of zij "nog voldoende zelfredzaam" is, verdwijnt het huisvestingsprobleem niet.

Het verplaatst zich. Van de bank van familie naar de bank van vrienden. Van een logeeradres naar een auto. Van een camping naar een vakantiepark en uiteindelijk van informele opvang naar de nachtopvang.

Iedere stap vergroot de kans op verlies van inkomen, gezondheid, werk, sociale relaties en perspectief. Een relatief overzichtelijk huisvestingsprobleem groeit uit tot een complex sociaal vraagstuk.

De ironie

De ironie is pijnlijk. Eerst wordt iemand weggestuurd omdat hij nog te zelfredzaam lijkt. Later komt diezelfde persoon terug, maar dan met grotere problemen. Pas dan is hij blijkbaar kwetsbaar genoeg om geholpen te worden.

Daarmee ontstaat een zelfbevestigend mechanisme. De verslechtering van iemands situatie lijkt achteraf te bewijzen dat het systeem gelijk had: de problemen zijn immers ernstig genoeg geworden. Maar juist doordat eerder niet is ingegrepen, heeft het systeem zelf bijgedragen aan die verslechtering.

Maar dan zijn we te laat en ontbreekt helaas vaak de zelfreflectie.

Een instrument is nooit neutraal

De ZRM is ontwikkeld als hulpmiddel voor professionals. Daarvoor kan de matrix nog steeds waardevol zijn. Het instrument helpt om samen met inwoners in beeld te brengen op welke leefgebieden ondersteuning gewenst is.

Het probleem ontstaat wanneer een gespreksinstrument verandert in een selectie-instrument.

Instrumenten zijn namelijk nooit neutraal. Zij bepalen welke werkelijkheid zichtbaar wordt, welke problemen urgent lijken en welke oplossingen logisch worden gevonden.

Wanneer een instrument vooral kijkt naar individuele zelfredzaamheid, terwijl het centrale probleem het ontbreken van huisvesting is, ontstaat een fundamentele blinde vlek.

De ZRM meet dan vooral de gevolgen van dakloosheid.

ETHOS-light maakt juist de dakloze situatie zelf zichtbaar.

Dat is niet slechts een technisch verschil, maar een fundamenteel andere manier van kijken.

Tijd voor een ander beoordelingskader

Gemeenten die serieus werk willen maken van het Nationaal Actieplan Dakloosheid zullen daarom niet alleen hun beleid moeten vernieuwen, maar ook kritisch moeten kijken naar de instrumenten waarmee zij toegang organiseren.

Die noodzaak wordt nog versterkt door de Wet versterking regie op de volkshuisvesting. Deze wet legt meer nadruk op de verantwoordelijkheid van overheden om te sturen op voldoende betaalbare woningen en op huisvesting voor mensen die deze huisvesting urgent nodig hebben. Wanneer dakloosheid primair als huisvestingsvraagstuk wordt benaderd, ligt het voor de hand dat ook de toegangslogica daarop wordt ingericht.

Een beoordelingskader dat aansluit bij ETHOS-light, Housing First en Wonen Eerst begint daarom niet met de vraag hoe zelfredzaam iemand is.

Het begint met de vraag of iemand toegang heeft tot veilige, passende en duurzame huisvesting.

Van daaruit volgt de logische vervolgvraag: welke ondersteuning is nodig om wonen mogelijk te maken én te behouden?

De woonsituatie staat centraal.

Van beoordelen naar mogelijk maken

De echte opgave voor gemeenten is daarom niet om steeds beter te beoordelen wie kwetsbaar genoeg is voor ondersteuning.

De opgave is om de voorwaarden te organiseren waaronder mensen weer duurzaam kunnen wonen.

Dat vraagt om samenwerking tussen gemeenten, woningcorporaties, zorgorganisaties, welzijnspartijen en ervaringsdeskundigen. Maar het vraagt vooral om een andere manier van denken.

Niet controleren of iemand aan de voorwaarden voldoet.

Maar organiseren wat nodig is om dakloosheid te voorkomen, te verkorten of te beëindigen.

Dat is de essentie van Wonen Eerst.

Dakloosheid vraagt om een thuis

Zolang een systeem mensen pas helpt wanneer zij voldoende zijn vastgelopen, organiseren we geen preventie. Dan wachten we totdat een huisvestingsprobleem is uitgegroeid tot een zorgprobleem.

Dat is niet alleen schadelijk voor mensen, maar ook maatschappelijk inefficiënt en kostbaar.

Wie de koers van het Nationaal Actieplan Dakloosheid, ETHOS-light, Housing First en Wonen Eerst serieus neemt, kan daarom niet volstaan met nieuwe beleidsambities.

Ook de toegangslogica zal fundamenteel moeten veranderen.

De centrale vraag moet niet langer zijn hoeveel iemand nog zelf kan.

De centrale vraag moet zijn waarom iemand geen toegang heeft tot een veilig en duurzaam thuis.

Dakloosheid vraagt niet om een beoordeling van iemands zelfredzaamheid.

Dakloosheid vraagt om een woning, met ondersteuning die aansluit bij wat iemand nodig heeft om daar duurzaam te kunnen wonen.

Pas wanneer we stoppen met het beoordelen van kwetsbaarheid als toegangseis en beginnen met het oplossen van het huisvestingsprobleem, sluiten beleid en praktijk weer op elkaar aan.

En pas dan maken we werkelijk de beweging van zorglogica naar huisvestingslogica en van het beheren van dakloosheid naar het voorkomen, verkorten en beëindigen ervan.

En het werkt!