
Over Wonen Eerst als doorontwikkeling van Housing First en de rol van intermediaire verhuur
De afgelopen jaren heeft Nederland met het Nationaal Actieplan Dakloosheid een belangrijke stap gezet. De beweging van opvang naar wonen. Van reageren op dakloosheid naar het voorkomen ervan. Die beweging heeft vorm gekregen onder de noemer Wonen Eerst.
Na bijna twintig jaar praktijkervaring met zowel Housing First als Wonen Eerst ben ik ervan overtuigd geraakt dat Wonen Eerst, los van de gekozen naam, de logische doorontwikkeling is van Housing First. De resultaten in de praktijk bevestigen dat.
In dit opiniestuk wil ik teruggaan naar één van de oorspronkelijke principes waarop Housing First is gebouwd. Niet omdat Housing First en Wonen Eerst hetzelfde zijn, maar omdat Wonen Eerst een doorontwikkeling is van Housing First die voortbouwt op dezelfde uitgangspunten en dezelfde fundamentele overtuiging:
Wonen is geen beloning, maar de basis.
Het verschil zit niet in de mensen
Regelmatig worden Housing First en Wonen Eerst met elkaar verward of tegenover elkaar gezet. Daarbij wordt soms gesteld dat het over andere mensen zou gaan. Dat is onterecht.
Het verschil zit niet in de mensen voor wie beide benaderingen bedoeld zijn. Het verschil zit in het moment waarop huisvesting wordt ingezet.
- Housing First biedt een woning met ondersteuning aan mensen die langdurig dakloos zijn geraakt en daardoor vaak complexe problematiek hebben ontwikkeld.
- Wonen Eerst brengt hetzelfde uitgangspunt helemaal naar de voorkant van het proces. Het voorkomt dakloosheid of verkort die periode zoveel mogelijk, zodat complexe problematiek zich juist niet hoeft te ontwikkelen.
Het verschil zit dus niet in de vraag voor wie wonen bedoeld is, maar wanneer wij besluiten dat huisvesting de juiste oplossing is.
In die zin is Wonen Eerst geen alternatief voor Housing First.
Het draait dezelfde filosofie niet om, maar past haar eerder toe. Preventief.
Scheiden van wonen en zorg of het scheiden van wonen en behandeling?
Binnen het Nationaal Actieplan Dakloosheid wordt gesproken over het basisprincipe:
Scheiden van wonen en zorg.
Huisvesting zou niet afhankelijk mogen zijn van een zorgcontract of een zorgindicatie. Dat uitgangspunt onderschrijf ik volledig.
Was dat ook de oorspronkelijke bedoeling?
Sam Tsemberis, de grondlegger van Housing First, sprak namelijk niet over het scheiden van wonen en zorg. Hij sprak over het:
scheiden van wonen en behandeling als voorwaarde voor toelating tot Housing First.
Dat lijkt een klein verschil, maar is fundamenteel.
Binnen Housing First betekent dit basisprincipe dat het ontbreken van behandeling geen uitsluitingscriterium mag zijn voor toegang tot wonen.
Dat was de belangrijkste paradigmashift van Housing First.
Scheiden van wonen en zorg
Het principe ‘scheiden van wonen en zorg’ gaat in de praktijk over iets anders. Het gaat niet over de toegang tot wonen, maar over de inrichting van het systeem nadat iemand een woning heeft gekregen. Tegenwoordig lijkt dit principe zich te focussen op er sprake is van intermediaire verhuur of niet.
Daarnaast ontstaat soms de indruk dat ondersteuning niet langer nodig is zodra iemand een woning heeft. Dat is feitelijk onjuist.
Sam Tsemberis zegt niet voor niets:
Housing First is not Housing Only.
Een woning bieden is niet voldoende. Passende ondersteuning blijft beschikbaar wanneer dat nodig is, maar is geen voorwaarde voor het recht op wonen.
Ondersteuning blijft voor veel mensen essentieel. Alleen staat die ondersteuning naast de huurovereenkomst, niet erin.
Tegelijkertijd blijven de verantwoordelijkheden van een reguliere huurovereenkomst onverminderd bestaan. Iedere huurder betaalt huur, gaat zorgvuldig met de woning om en gedraagt zich als goed huurder. Voor inkomen, participatie en bestaanszekerheid bestaan bovendien al eigen wettelijke kaders. Ook die hoeven geen onderdeel te zijn van een begeleidings- of huurovereenkomst.
Wanneer we dit onderscheid scherp houden, worden twee principes zichtbaar die elkaar juist versterken.
Scheiden van wonen en behandeling gaat over toegang tot wonen: behandeling mag geen voorwaarde zijn om een woning te krijgen.
Scheiden van Wonen en zorg gaat in de praktijk over de inrichting van het systeem nadat iemand woont: ondersteuning blijft beschikbaar, maar hoeft geen onderdeel te zijn van de huurovereenkomst. Dit gesprek lijkt inhoudelijk steeds meer de focus te verleggen naar de intermediaire verhuur.
Dat brengt mij bij een andere gevleugelde uitspraak van Sam Tsemberis:
We have to manage our own anxiety.
Die uitspraak gaat niet over de angst van de inwoner, maar over die van onszelf. Over de onzekerheid van professionals, bestuurders, woningcorporaties en beleidsmakers.
Intermediaire verhuur
Lukt het ons onze eigen onzekerheid te managen? Durven wij iemand een reguliere huurovereenkomst toe te vertrouwen terwijl nog niet alle problemen zijn opgelost? Of creëren wij extra constructies omdat wij zelf behoefte hebben aan meer zekerheid?
Natuurlijk gaat mijn voorkeur uit naar een reguliere huurovereenkomst. Dat sluit het beste aan bij de oorspronkelijke uitgangspunten van Housing First: een normale rechtspositie, het scheiden van wonen en behandeling en het vertrouwen dat wonen de basis vormt voor herstel
De praktijk
Ik heb ervaren dat de praktijk soms weerbarstig is. In sommige steden en lokale contexten is intermediaire verhuur voor woningcorporaties een noodzakelijke voorwaarde om Housing First überhaupt mogelijk te maken. In die situaties mag de constructie op zichzelf nooit een reden zijn om Housing First niet aan te bieden. Wél moeten we direct oog hebben voor de complexiteit en de mogelijke neveneffecten.
De complexiteit en neveneffecten van intermediaire verhuur
Wanneer intermediaire verhuur wordt ingezet, maken we de situatie vaak ingewikkelder dan noodzakelijk. Juist daarom moeten we de neveneffecten direct in ogenschouw nemen en zorgvuldig organiseren.
- Voor de inwoner kan het een minder directe rechtspositie betekenen en een grotere afhankelijkheid van dezelfde organisatie die zowel begeleider als verhuurder is.
- Voor professionals kunnen rollen vervagen doordat zij naast begeleiding ook verantwoordelijk worden voor het bewaken van de huurovereenkomst. Dat kan spanning opleveren in de vertrouwensrelatie met de inwoner.
- Zorgorganisaties moeten financiële risico’s dragen die niet bij hun kerntaak horen. Kosten zoals leegstand, huurachterstanden, gederfde huur en herstelwerkzaamheden drukken dan op middelen die bedoeld zijn voor ondersteuning en begeleiding.
- Daardoor blijft minder ondersteuning beschikbaar voor de mensen die deze ondersteuning het hardst nodig hebben.
- Vanwege een lagere capaciteit vergroot risico dat problemen te laat worden aangepakt, met mogelijk meer druk op de leefbaarheid in de wijken en hogere maatschappelijke kosten.
- Verantwoordelijkheden tussen gemeenten, woningcorporaties en zorgorganisaties kunnen vervagen. Waar iedere partij vanuit haar eigen expertise zou moeten samenwerken, kan in deze constructie juist taak- en rolverwarring ontstaan. Dat kan het ingewikkelder makenn wat ten koste kan gaan van de samenwerking.
Conclusie
Misschien ligt de volgende stap in de ontwikkeling van Wonen Eerst niet in nieuwe beleidsregels, woonconcepten of huurconstructies. Misschien vraagt die stap vooral om een herwaardering van de oorspronkelijke principes van Housing First.
Het scheiden van wonen en behandeling gaat over toegang tot wonen. Het scheiden van wonen en zorg gaat over de manier waarop wij ondersteuning organiseren nadat iemand woont. Dat zijn twee verschillende principes die elkaar niet uitsluiten, maar juist kunnen versterken.
Intermediaire verhuur kan daarbij, afhankelijk van de lokale context, een passend en soms noodzakelijk instrument zijn om Housing First mogelijk te maken. Het mag echter nooit een doel op zichzelf worden. Zodra een instrument een principe wordt, lopen we het risico dat we vooral onze eigen behoefte aan zekerheid organiseren, terwijl de complexiteit, risico's en verantwoordelijkheden zich slechts verplaatsen binnen het systeem.
Juist daarom moeten we voortdurend blijven toetsen of onze keuzes daadwerkelijk bijdragen aan het belang van de inwoner. Niet alleen omdat een reguliere huurovereenkomst het beste aansluit bij de oorspronkelijke uitgangspunten van Housing First, maar ook omdat de praktijk van Wonen Eerst laat zien dat vroegtijdige huisvesting, gecombineerd met passende ondersteuning, werkt.
Misschien is dat wel de belangrijkste les. Niet de vraag welke contractvorm we kiezen, maar of die keuze daadwerkelijk bijdraagt aan het voorkomen, verkorten en beëindigen van dakloosheid.
Want uiteindelijk is dat de bedoeling waar al onze acties en alle instrumenten aan dienstbaar zouden moeten zijn!
